1007-2 Gemeentebestuur van Utrecht 1813-1969, deel 2: stukken over afzonderlijke onderwerpen zonder classificatienummers ( Het Utrechts Archief )

1007-2
Gemeentebestuur van Utrecht 1813-1969, deel 2: stukken over afzonderlijke onderwerpen zonder classificatienummers
Inleiding
laatste wijziging 27-02-2025
13.703 beschreven archiefstukken
3.773 gedigitaliseerd
totaal 501.938 bestanden
Inventaris
1. Stukken over afzonderlijke onderwerpen zonder classificatienummers, (1500) 1813-1910 (1971)
1.9. Volksgezondheid

De Verordeningen omtrent het geneeskundig onderzoek en toevoorzicht uit 1804 werden na het herstel van de onafhankelijkheid opnieuw van kracht. In 1818 werd de gemeentelijke taak op het terrein van de gezondheidszorg vastgelegd in de Geneeskundige Staatsregeling. De bestaande provinciale en-in gemeenten met meer dan vier geneeskundigen-plaatselijke commissies voor geneeskundig onderzoek en toevoorzicht bleven als adviesorganen bestaan. De leden van de plaatselijke commissie werden benoemd door het gemeentebestuur. De Utrechtse commissie bestond uit drie medicinae doctores (aan de universiteit opgeleide artsen), twee heelmeesters, twee vroedmeesters en twee apothekers. Zij adviseerde het gemeentebestuur bij het opstellen van verordeningen en te nemen maatregelen bij het uitbreken van besmettelijke ziekten, hield toezicht op de verkoop van geneesmiddelen en visiteerde daartoe regelmatig de apothekers en beoordeelde de aanvragen van genees- en heelkundigen en vroedvrouwen tot het uitoefenen van een praktijk.

De Gemeentewet van 1851 belastte de gemeente met het toezicht op de volksgezondheid. B & W dienden hierover jaarlijks verslag te doen en droegen de commissie op om bijdragen te leveren voor dit verslag. Met de Wet op het geneeskundig staatstoezicht van 1865 kwamen er van rijkswege inspecteurs, bijgestaan door Geneeskundige Raden. De Commissies van geneeskundig onderzoek en toevoorzicht hielden nu op te bestaan. De wet van 1865 werd in 1901 door een nieuwe vervangen. De gezondheidszorg werd nu opgedragen aan de Centrale Gezondheidsraad, de (hoofd)inspecteurs van de volksgezondheid en de nieuw ingestelde Gezondheidscommissies. Zo'n commissie bestond in Utrecht al.

Uit ontevredenheid over de staat van de gezondheidszorg had de gemeenteraad in 1855 op initiatief van prof. G.J. Mulder, hoogleraar chemie aan de Rijksuniversiteit, naast de Plaatselijke commissie van geneeskundig onderzoek en toevoorzicht een Gezondheidscommissie ingesteld, met als taak het onderzoeken van alles wat voor de gezondheid schadelijk was. Ook in andere steden bestonden soortgelijke gezondheidscommissies. Hun onderzoekingen en adviezen waren zo waardevol, dat met de invoering van de Gezondheidswet van 1901 deze commissies landelijk werden ingevoerd in gemeenten met meer dan 18.000 inwoners. Zij waren ook betrokken bij de uitvoering van de Woningwet van 1901. De Gezondheidscommissie van 1855 hield nu op te bestaan. De taken werden overgenomen door een tweede Gezondheidscommissie, die in 1949 werd opgeheven.

Krachtens de Verordening op het Burgerlijk Armbestuur uit 1870 had de Stadsaalmoezenierskamer ook als taak het verstrekken van genees-, heel- en verloskundige hulp aan en het doen opnemen in het ziekenhuis van behoeftigen. Deze taak werd de geneeskundige armenzorg genoemd. In 1915 werden de verschillende gemeentelijke taken op het terrein van de volksgezondheid samengevoegd tot de Gemeentelijke Geneeskundige Dienst, vanaf 1930 Gemeentelijke Geneeskundige en Gezondheidsdienst. Deze bestond aanvankelijk uit de volgende onderdelen: geneeskundige dienst, gezondheidsdienst en schoolartsendienst. Het takenpakket werd daarna uitgebreid met onder andere tuberculosebestrijding en maatschappelijke hulp. Tot de medische politie behoorden onder meer de keurmeesters van vee en vlees, de keurmeesters van brood en de opzichters van het reukloos maken van secreetputten. Zie ook de inv.nrs. 9238 e.v. en P.D. 't Hart, 'Een eisch van dringende noodzakelijkheid': uit de geschiedenis van de gemeentelijke jeugdgezondheidsdienst in de stad Utrecht 1907-1997 (Utrecht 1999); Piet 't Hart, Gerard Pouw en Ronald Rommes, Gepokt en gemazeld. Gids voor historisch onderzoek naar ziekte en gezondheid in de provincie Utrecht (Utrecht 2002).
1.9.9. Toezicht op de prostitutie

8740 Staten van publieke huizen en prostituées, met bijlagen, 1858-1885.
1007-2 Gemeentebestuur van Utrecht 1813-1969, deel 2: stukken over afzonderlijke onderwerpen zonder classificatienummers
Inventaris
1. Stukken over afzonderlijke onderwerpen zonder classificatienummers, (1500) 1813-1910 (1971)
1.9. Volksgezondheid
1.9.9. Toezicht op de prostitutie
8740
Staten van publieke huizen en prostituées, met bijlagen, 1858-1885.
Organisatie: Het Utrechts Archief
laatste wijziging 18-07-2024
1 gedigitaliseerd
totaal 822 bestanden
laatste wijziging 27-02-2025
13.703 beschreven archiefstukken
3.773 gedigitaliseerd
totaal 501.938 bestanden
Kenmerken
Datering:
1813-1910
Toegangstitel:
Inventaris van de archieven van het gemeentebestuur van Utrecht 1813-1969. Deel 2: stukken over afzonderlijke onderwerpen zonder classificatienummers (1500) 1813-1910 (1971)
Auteur:
A. Pietersma
Datering toegang:
2005
Openbaarheid:
Bepaalde inv. nrs. - onder meer over de zuivering van ambtenaren na de Tweede Wereldoorlog - zijn alleen raadpleegbaar met toestemming van de gemeentearchivaris
Rechtstitel:
Overbrenging van een overheidsarchief
Omvang:
1264,59 m
Licentie:
Rubrieken:
Thema trefwoorden:
Categorie:
laatste wijziging 27-02-2025
13.703 beschreven archiefstukken
3.773 gedigitaliseerd
totaal 501.938 bestanden